Spelregels Koersbal

 De bedoeling is dat de spelers hun koersballen zo dicht mogelijk bij de van tevoren gespeelde jack proberen te rollen. Het spel wordt gespeeld over de gehele lengte van de speelmat, in twee richtingen. Bij aanvang staan de spelers dus aan één uiteinde van de mat. Welke kant u kiest is niet belangrijk, want bij de volgende beurt speelt u gewoon de andere kant op.  De ene speelt met de vier zwarte ballen en de ander met de vier bruine.  De voorbereiding: Voor het spel begint, trekken alle spelers een genummerd kaartje. Hierdoor ontstaan willekeurige paren. Op die manier speelt iedereen elke week met iemand anders, de ene keer met een ‘goeie’, de volgende keer met een iets mindere speler. Het spelen in steeds wisselende combinaties heeft veel voordelen. Het bevordert niet alleen de sfeer en het onderlinge contact in de groep maar zorgt er bovendien voor dat de kansen eerlijk verdeeld zijn. Na de trekking schrijft de spelleider de namen van de genummerde spelers op het scoreformulier. Er wordt altijd gespeeld volgens een bepaald schema. 1 De twee die mogen beginnen, stellen zich op. Zolang zij spelen, zitten of staan de anderen langs de lange kant(en) van de mat. Daar kunnen ze het spel goed volgen, en de spelers aanmoedigen of een praatje met elkaar maken. 2 Hij of zij die begint, speelt met zwart. Hij of zij mag ook de jack in het veld rollen. Waar de jack tot stilstand komt, wordt het balletje op het midden van de mat gelegd. 3 Gaat het inrollen mis - en dat is het geval als de jack niet over de middellijn komt of van de mat afrolt - dan mag de andere de jack inrollen. Gaat dat ook fout, dan legt de spelleider de jack op het witte dwarsstreepje vóór het dubbelscorevak (zie de tekening van het speelveld hierboven). 4 Hij of zij die begint, rolt zijn eerste (zwarte) bal. Gevolgd door de eerste (bruine) bal van de andere speler, en zo om beurten verder. 5 Als alle ballen zijn gespeeld, maakt de spelleider de score op en noteert die op het scoreformulier (zie puntentelling hieronder). Vervolgens komen nu speler 2 zwart en 2 bruin aan de beurt, daarna 3 en 4, en zo verder tot iedereen is geweest. Puntentelling De hoogste score krijgt diegene die de meeste ballen zo dicht mogelijk bij de jack weet te rollen. De puntentelling kent vier regels: 1 Een speler krijgt net zo veel punten als het aantal ballen dat hij dichter bij de jack heeft gerold dan de beste bal van de andere speler. Bijvoorbeeld: wanneer er twee zwarte ballen dichter bij de jack liggen dan de beste bruine bal, krijgt ‘zwart’ twee punten (zie figuur 2). 2 Als iemand erin slaagt de jack in het dubbelscorevak te rollen, krijgt hij daarvoor één punt. Dit punt blijft geldig, ook als iemand de jack tijdens het spel alsnog van de mat ketst. 3 Ligt de jack in het dubbelscorevak, dan tellen alle ballen die eveneens in het dubbelscorevak liggen dubbel.
4 Als iemand tijdens het spel een bal van zijn tegenstanders van de mat stoot, krijgt de benadeelde een punt. Maar let op, deze regel geldt níet in het dubbelscorevak.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen